Brandende vragen over de brandklep

Brandwerendheid van de brandklep in het geselecteerde wandtype

Mag ik in een lichte wand eender welk materiaal gebruiken voor de structuur van de wand?

NEE: De opbouw van de wand en de ondersteunende structuur mag alleen plaatsvinden met materiaal zoals aangegeven in de installatievoorschriften en classificatiedocumenten. Voor de plaatsing en ondersteuning van brandkleppen in een lichte wand komt dit meestal neer op gegalvaniseerde C-profielen (metal stud). De metalen onderconstructie mag niet vervangen worden door een houten onderconstructie.

Om bij brand de stabiliteit van de wand en de afdichting rond de klep te garanderen, is het belangrijk om boven en onder de klep een horizontale ligger te plaatsen.

 Bij de opbouwklep CR60-1S kunnen de liggers in een symmetrische lichte wand vervangen worden door losse stukjes C-profiel ter hoogte van de fitting.

Mag ik voor een lichte wand eender welke gipskartonplaten toepassen?

NEE: De classificatie van een brandklep in een metal stud wand geeft tevens aan welk type gipskartonplaten gebruikt moeten worden. Check altijd de installatievoorschriften van de brandklep en de classificatie van de wand. De classificatie van de klep blijft behouden bij een grotere wanddikte met dezelfde platen en plaatdikte.

Rf-Technologies heeft de meeste brandkleppen met zowel type A (niet brandwerend) als type F platen getest.

Rf-Technologies heeft de lichte wand met een brandweerstand van 90’ en 120’ getest met een minerale wol van 40 kg/m³.

Mag ik een brandklep in een asymmetrische lichte schachtwand plaatsen?

Een lichte schachtwand wordt vaak asymmetrisch gebouwd, namelijk met alleen aan de buitenkant van de schacht gipskartonplaten. Beplating aan de binnenkant aanbrengen is immers moeilijk. Brandkleppen moeten altijd specifiek zijn getest in asymmetrische lichte schachtwanden om conform de eisen in een dergelijke schachtwand geplaatst te mogen worden.

De CR60-1S mag gebruikt worden in een schachtwand met 2 x 15 mm type F-gipskartonplaten gemonteerd aan één zijde op een gegalvaniseerd C-profiel van 50 mm breed + isolatie 40 kg/m³.

De wanddikte is anders dan getest: hoe los ik dit op om toch een conforme installatie te hebben?

Op voorwaarde dat de vereiste brandweerstand wordt behaald, mag een te dunne wand plaatselijk worden verdikt om de geteste dikte te behalen. Aangeraden wordt om de wanddikte minstens 200 mm rondom de brandklep aan te passen. Deze oplossing dient overlegd te worden met een geaccrediteerd controlebureau of adviesorgaan. 

Een dikkere wand dan getest is altijd toegestaan. De behuizing van de klep moet dan wel voorzien worden van een verlengstuk voordat het geheel in de sparing wordt geplaatst. De meeste brandkleppen kunnen ook besteld worden met een verlengde behuizing.

Productselectie

Wanneer is het interessant om een opbouwklep in plaats van een inbouwklep toe te passen?

Wat de kosten betreft, is het gebruik van een opbouwklep het voordeligste. De wat hogere aanschafprijs van deze klep wordt ruimschoots gecompenseerd door de grotere installatiesnelheid en het wegvallen van de kosten van afdichten. Hierdoor kan dezelfde ploeg per dag meer kleppen plaatsen.

Er zijn nog bijkomende voordelen van opbouwkleppen:

  • Plaatsing en afdichting gebeuren ook gelijktijdig waardoor afdichting door een andere partij of op een later tijdstip niet meer nodig is.
  • Geen droogtijden meer omdat er mortel of gips is gebruikt.
  • Geen noodzaak tot opspieën bij rechthoekige kleppen.

Om de CR60-1s in een gipskartonwand vast te zetten kunt u losse stukjes metal stud profiel gebruiken. Het vooraf of – lastiger – achteraf aanbrengen van horizontale liggers boven en onder de klep behoort hiermee tot het verleden. Deze methode geeft meer flexibiliteit voor de plaatsing van de brandklep en werkt ook aanmerkelijk sneller. De sparing bij dit type klep is een standaard nominale boorafmeting, waardoor het gemakkelijker is om de juiste sparing te voorzien.

De klep heeft niet dezelfde vorm of afmetingen als het kanaal. Bestaan er kant-en-klare oplossingen voor de aansluiting op een anders gevormd kanaal?

JA: er bestaan verkleinstukken en ronde of ovale verloopstukken, waarmee u de klep op een kanaal met andere afmetingen of een andere vorm kunt aansluiten.

  • Vierkante kleppen kunnen door middel van een leverbaar aanpassingsstuk worden aangesloten op ronde kanalen.
  • Er kunnen voor andere situaties ook specifieke aansluitstukken worden gemaakt. Deze hebben geen nadelige invloed op de classificatie van de brandkleppen.

Wanneer kies ik voor een brandklep, en wanneer mag ik een vlinderklep plaatsen?

Zowel de brandklep als de vlinderklep is getest volgens EN 1366-2, geclassificeerd volgens EN 13501-3 en dus geschikt als brandwerende oplossing voor ventilatiekanalen.

De vlinderklep is een brandwerende klep zonder extern bedieningsmechanisme. Een vlinderklep wordt ter hoogte van de brandscheidingswand in het doorvoerkanaal van dezelfde diameter geplaatst en door rubber dichtingsringen op zijn plaats gehouden. Vlinderkleppen bestaan ook als eindkleppen met ventiel met verstelbare kern. De keuze tussen een ronde brandklep of een vlinderklep wordt bepaald door de voordelen en limieten van beide oplossingen.

Bij een gelijke diameter hebben vlinderkleppen bovendien meer drukverlies en een lagere netto doorlaat dan brandkleppen. Als netto doorlaat en drukverlies belangrijke criteria zijn, is het beter om voor brandkleppen te kiezen.

Vlinderkleppen

Voordelen

Nadelen

Installatie en onderhoud

Vlinderkleppen kunnen eenvoudig worden geplaatst door ze in een metalen ventilatiekanaal met dezelfde nominale diameter te schuiven.

Vervanging van het smeltlood van buitenaf, zoals bij brandkleppen, is niet mogelijk voor een vlinderklep.

Ondanks de afwezigheid van een extern mechanisme, moet de controle van het smeltlood wel mogelijk blijven. Indien de vlinderklep niet aan het uiteinde van het kanaal wordt gemonteerd, moet er een voorziening komen die inspectie van de vlinderklep mogelijk maakt, bijvoorbeeld een inspectieluik.

Geen extern mechanisme

Vlinderkleppen bevatten geen bedieningsmechanismen en zijn daardoor goedkoper.

De stand van het klepblad is moeilijker te controleren. Met behulp van een (optionele) positieschakelaar is controle vanop afstand wel mogelijk. Let wel: controle, geen besturing.
Afmetingen

 

Van vlinderkleppen is het aantal beschikbare diameters beperkt.

Bij een gelijke diameter hebben vlinderkleppen bovendien meer drukverlies en een lagere netto doorlaat dan brandkleppen. Als netto doorlaat en drukverlies belangrijke criteria zijn, is het beter om voor brandkleppen te kiezen.

 

Mag ik een ander ventiel toepassen op een vlinderklep met ventiel (type SCV+)?

De classificatie van een vlinderklep is alleen geldig voor een daadwerkelijk geteste klep- en ventielcombinatie. 

Alleen indien zodanig getest, mag een ventiel vervangen worden door een ander ventiel. Dit mag vervaardigd zijn uit kunststof of gegalvaniseerd, roestvrij of gelakt staal. 

Dit is bijvoorbeeld het geval voor de SC+L vlinderklep van Rf-t. Dit is een vlinderklep met een verlengde behuizing om zo de juiste positie van het klepblad binnen de wand te kunnen garanderen.

Nadat het ventiel is geplaatst, moet altijd gecontroleerd worden of het sluiten van het klepblad niet gehinderd wordt (bijv. door een te lange draadstang bij een luchtventiel met verstelbare kern).

Wat kan ik doen als de maximale beschikbare afmetingen van de klep te klein zijn t.o.v. het kanaal?

Een batterijopstelling is een samenstelling van meerdere kleppen, naast of boven elkaar geplaatst, voor installaties met grote afmetingen. Een batterijopstelling is enkel mogelijk indien deze geclassificeerd en CE gemarkeerd is. Dit is het geval van de CU2/B batterij.

Opbouw van de CU2/B batterij met 4 deelkleppen

Gaat het eerder om een probleem van hoogte/breedte-verhoudingen, dan kunt u de klep draaien, indien de klep ook met as verticaal getest werd. Deze informatie staat in de installatievoorschriften, prestatieverklaring en classificatiedocumenten.

Bij een brede en platte brandklep heeft een plaatsing met as verticaal ook een bijkomend luchttechnisch voordeel: de netto doorlaat ligt een stuk hoger door de kleinere breedte van het klepblad waardoor de drukverliezen ook lager zijn.

De klep mag gedraaid worden indien ze ook met as verticaal werd getest.

Mag ik brandwerende roosters of manchetten bij mechanische ventilatie toepassen?

NEE: Brandwerende roosters worden getest volgens EN 1364-1 en -2 en/of EN 1634-1. Manchetten worden beproefd onder de EN 1366-3. Deze testmethodes zijn niet geschikt en daarom niet toegestaan om componenten van mechanische ventilatiesystemen te evalueren. Ze houden geen rekening met mechanische vereisten voor het afsluiten van ventilatiesystemen: drukverschil, rookdoorgang en sluitingstijd worden hierbij niet in aanmerking genomen.

Manchetten zijn uiterst geschikt voor het afdichten van sanitaire kunststofleidingen, maar EN 1366-3 sluit het toepassen van manchetten in ventilatiesystemen expliciet uit. Dit zelfs als de ventilatie bij brand automatisch wordt uitgeschakeld. Het klopt niet dat een ventilatiekanaal als ‘gewone’ kunststof of metalen leiding kan worden beoordeeld indien de ventilatie bij brand automatisch wordt uitgeschakeld.

In vergelijking met brandkleppen hebben roosters ook een veel lagere netto doorlaat en een opmerkelijk hoger drukverlies.

Brandwerende kleppen worden volgens EN 1366-2 getest en zijn daarom geschikt en toegelaten om in een compartimentswand de brandweerstand van een ventilatiekanaal te verzekeren. Deze norm geldt namelijk voor ventilatietoepassingen, waarbij sprake is van een drukverschil. Onder deze norm wordt tevens de sluitingstijd gemeten.

Mag ik brandwerende kleppen als regelkleppen toepassen?

Na een luchtbehandelingskast wordt voor de debietregeling meestal een registerklep geplaatst. Deze klep wordt soms verward met een brandklep.

Bepaalde versies van brandkleppen met stappenmotoren hebben inderdaad de mogelijkheid om het klepblad in meerdere posities tussen open en gesloten te zetten. Echter, omdat de regelmogelijkheden van een brandklep veel beperkter zijn dan van een registerklep wordt deze oplossing zelden of nooit gebruikt. Indien vereist, is de meest gangbare oplossing het plaatsen van een separate brandklep vóór of na de registerklep.

Bestemming van de ruimte

Mogen brandkleppen uitgerust zijn met een smeltlood dat op een hogere temperatuur reageert?

Alleen indien zodanig getest. Deze oplossing kan nuttig zijn voor brandkleppen die dicht bij een verwarmingsketel of een technische ruimte met warme lucht worden geplaatst.

Bestaan er brandkleppen die geschikt zijn voor het gebruik in een grootkeuken?

De brandcompartimentering van (groot)keukens vormt een specifieke uitdaging. Voor het afvoeren van lucht in keukens door middel van afzuigkappen, wordt het gebruik van brandkleppen afgeraden. In een aantal landen laat de reglementering hier zelfs het gebruik van brandkleppen niet toe.

In de loop van de tijd vindt er in die omgeving immers een afzetting van vetten en oliën plaats op de brandklep. Dit verhoogt niet alleen de potentiële brandlast ter hoogte van de klep. Het is ook niet uitgesloten dat het klepblad niet meer of onvoldoende zal kunnen sluiten bij een eventuele brand.

Zijn brandkleppen bestand tegen de afgevoerde dampen in een laboratorium?

De afgevoerde lucht kan bestanddelen bevatten die componenten van een brandklep kunnen beschadigen. Om dit risico te verminderen of uit te sluiten, is het aangeraden om gebruik te maken van de optionele epoxycoating. Deze biedt bescherming tegen de meeste oplosmiddelen, (an)organische zuren, zouten, alkali, schadelijke gassen en oliën. Een technische beschrijving kan op aanvraag worden toegezonden.

Het risico op beschadiging geldt niet voor kleppen die zijn uitgevoerd met calciumsilicaat platen. Om hygiënische redenen wordt epoxy echter ook aanbevolen voor dergelijke brandkleppen wanneer ze worden toegepast in laboratoriums en ziekenhuizen. De epoxylaag dient hierbij om de oneffen structuur van het materiaal te vullen en zo de kans op aanhechting van ongewenste stoffen te verminderen.

Mogen brandkleppen in een vochtige omgeving worden geplaatst?

Alleen indien ze adequaat beschermd zijn tegen corrosie.

Omwille van de aanwezigheid van chloorhoudende lucht wordt er ook voor brandkleppen in ventilatienetwerken van zwembaden sterk aangeraden om gebruik te maken van de optionele epoxycoating.

De tunnels van Rf-t metalen brandkleppen zijn bijv. beschermd tegen corrosie door niet-condenserende luchtvochtigheid. Deze bescherming wordt gegarandeerd door een 20 µ dikke (275 g/m²) galvanisatielaag aangebracht door middel van het Sendzimirprocédé.

Rf-t brandkleppen zijn ook met succes gebrandtest na het ondergaan van een zoutneveltest. De zoutneveltest is een methode om via artificiële/versnelde veroudering de corrosiebestendigheid van een materiaal of product te beproeven.

Moet ik in een omgeving met verhoogd ontploffingsgevaar altijd een ATEX klep plaatsen in doorvoeringen van een kanaal dat vertrekt van die EX zone naar een ander compartiment?

 JA: ATEX gecertifieerde brandkleppen zijn altijd vereist in situaties waarbij de brandklep zich in een ATEX zone bevindt en/of deel uitmaakt van een ventilatiekanaal dat lucht uit een ATEX zone transporteert.

Men spreekt over explosiegevaar zodra een mengsel van lucht (of een andere zuurstofbron) en één of meer brandbare stoffen (in de vorm van gas, damp, nevel of stof) onder atmosferische omstandigheden ontstoken kan worden.

ATEX gebieden zijn opgesplitst in zones (0, 1 of 2 voor gassen; 20, 21 of 22 voor stof). Apparaten die in explosieve zones worden geplaatst, zijn onderverdeeld in groepen en categorieën. Om te bepalen onder welke categorie de te gebruiken brandkleppen vallen, moeten de zonering en de vrijkomende stoffen bij de beoordeling bekend zijn.

De hierna volgende tabel bevat de verschillende zones, alsmede de bijbehorende ATEX classificatie voor toepassingen in groep II (andere omgevingen dan mijnen).

explosieve atmosfeer door een mengeling van lucht met brandbare gassen, damp of nevel

0

1

2

 

Permanente explosieve atmosfeer gedurende langere periodes of frequent voorkomend

(meer dan 1000 uur/jaar)

Explosieve atmosfeer die mogelijk kan voorkomen tijdens normaal gebruik

(tussen 10 en 1000 uur/jaar)

Explosieve atmosfeer die normaal niet voorkomt, maar indien ze voorkomt is dit voor korte tijd

(minder dan 10 uur/jaar)

 

explosieve atmosfeer door een mengeling van lucht met brandbare stofwolk

 

20

21

22

 

ATEX classificatie voor uitrusting

Categorie 1: Heel hoog beschermingsniveau

Categorie 2: Hoog beschermingsniveau

Categorie 3: Normaal beschermingsniveau

 

 

In zone 0 of 20 mogen enkel brandkleppen geplaatst worden van categorie 1, in zone 1 of 21 zowel brandkleppen van categorie 1 of 2 en in zone 2 of 22 mogen brandkleppen geplaatst worden van categorie 1, 2 of 3.

 Rf-t verkoopt brandkleppen van groep II, categorie 2 en 3. De brandklep is gemarkeerd met de letter D als deze geschikt is bij stofexplosiegevaar en met de letter G bij gasexplosiegevaar. De eventuele gasgroep en de temperatuurklasse zijn tevens aan de markering toegevoegd.

Grootte van de sparing

Mag ik de sparing kleiner of groter maken dan aangegeven in de montage-instructies?

De ideale afmeting van de sparing wordt aangegeven in de montage-instructies.

  • Bij het verkleinen van de sparing moet erop worden gelet dat de brandklep nog steeds correct kan worden afgedicht.
  • Bij het vergroten van de sparing mag de afstand tussen de brandklep en de rand van de sparing maximaal met 50% vergroot worden.

Voor het afdichten van de sparing met brandwerende steenwolplaten geldt deze regel niet. Bij gebruik van deze afdichting wordt steeds de maximale afmeting van de sparing weergegeven in de montage-instructies.

Voor de tijd- en kostenbesparende opbouwkleppen is de speling tussen brandklep en wand/vloer veel beperkter. Hierdoor is het niet meer nodig na plaatsing van de klep een afdichting te plaatsen.

Bij de rechthoekige Rf-t opbouwkleppen zijn zowel de minimale als de maximaal toegestane sparingen weergegeven. Voor de sparing van de ronde opbouwklep CR60-1s werd gekozen voor standaard nominale boordiameters.

Hoe moet de sparing worden afgewerkt in een lichte wand?

In een lichte wand worden rond de sparing horizontale en verticale studs voorzien om de stabiliteit van de wand en de afdichting rond de brandklep bij brand te garanderen.

Bij de opbouwklep CR60-1s (in een symmetrische lichte wand) kan men met behulp van kortere metal studs deze afwerking achteraf plaatsen.

Plaatsing in de sparing

Moet een brandklep steeds geïnstalleerd worden na de plaatsing van de wand?

Een brandklep mag zowel voor als na de plaatsing van de wand worden geïnstalleerd. Indien de wand reeds geplaatst is, moet de installatie gebeuren volgens de meegeleverde installatievoorschriften. Hierbij moet er in een lichte wand op worden gelet dat de sparing correct is afgewerkt.

Bij het installeren van de brandklep voor het plaatsen van de wand wordt aangeraden om vooraf de voorziene positie van de later te plaatsen wand zeer goed uit te zetten. Deze inbouwsituatie is immers zeer kritisch voor wat betreft de positie van de klep en het klepblad in de wand. Als later de uitlijning tussen de brandklep en wand niet overeenkomt met wat was voorzien, is het aan te raden om de klep te verplaatsen of om het stuk tussen de wand en de klep te bekleden met brandveilige isolatie, conform de installatievoorschriften en classificaties voor op afstand van een wand geplaatste kleppen.

Deze opstelling moet dus ook getest en opgenomen zijn in de prestatieverklaring en CE-markering van de klep, voordat ze mag worden toegepast.

Mag ik de brandklep met as verticaal plaatsen indien dit gunstiger is voor mijn bouwwerk?

De keuze voor plaatsing met de klepas verticaal is alleen toegestaan wanneer de klep voor die richting werd getest. Dit is aangegeven in de classificatie en documentatie van de fabrikant.

De richting van de plaatsing van de klep wordt meestal bepaald door:

  • De afmetingen verhouding (hoogte en breedte) van het kanaal.
  • De beschikbare ruimte voor bereikbaarheid van de bediening en het smeltlood.

Indien er onvoldoende plaats is voor de klep én de bediening, of als de bediening of het smeltlood niet bereikbaar zijn, kan het nuttig zijn om de brandklep met as verticaal te plaatsen.

Die plaatsing biedt bij de rechthoekige kleppen nog bijkomende voordelen:

  • Er worden meer formaten kleppen beschikbaar voor installatie;
  • De luchttechnische eigenschappen van een smalle, hoge klep zijn gunstiger dan die van een brede, platte klep.

Moet de klep steeds centraal in de sparing worden geplaatst?

In de installatievoorschriften zijn de minimum en/of maximum afmetingen van de sparing en afdichting vermeld. Een eventuele asymmetrische installatie is toegelaten als de sparing tussen de brandklep en de wand of vloer nog steeds correct kan worden afgedicht.

 Bij een afdichting met brandwerende steenwolplaten gelden soms minimale afstanden tussen de klep en de rand van de sparing. Dit is terug te vinden in de classificatie en documentatie van de fabrikant.

Wat is de minimumafstand tussen verschillende brandkleppen en tussen een brandklep en andere structurele elementen?

Brandkleppen moeten geïnstalleerd worden volgens de voorschriften van de fabrikant. Indien in de voorschriften niets wordt vermeld, is de minimumafstand:

  • Tussen brandkleppen 200 mm.
  • Tussen een brandklep en een ander constructie-element zoals wand of vloer 75 mm.

 Let hierbij op dat de bediening van de brandklep en het controleren en vervangen van het smeltlood mogelijk blijven.

 Zorg er bij opbouwkleppen voor dat er voldoende ruimte is voor het opbouwkader. 

 Wanneer de wand door verschillende leidingen wordt doorkruist (kabels, PVC, HVAC,…), dan moet er minstens 200 mm afstand zijn tussen de brandklep en de andere technieken, tenzij anders getest.

Indien de voorgeschreven minimumafstand niet kan worden gerespecteerd, wordt aangeraden om overleg te plegen met de bevoegde instanties of het controlebureau.

 De ronde brandkleppen CR60, CR120 en CR2 werden getest op een minimale afstand van 30 mm (zowel van andere brandkleppen als van een constructie-element).

 De rechthoekige brandkleppen CU-LT en CU2 werden getest op een minimale afstand van 25 mm van een vloerplaat en 50 mm ten opzichte van een andere klep of een verticale wand.

 De afdichting van de kleppen gebeurt met één uniforme en betaalbare oplossing. Deze gecertificeerde plaatsing op kortere afstanden laat meer flexibiliteit op de bouwplaats toe.

Mogen andere doorvoeringen worden geplaatst in de sparing van de brandklep?

Deze inbouwsituatie moet specifiek worden getest met exact dezelfde combinatie van brandklep, afdichting en leiding.

De testnorm voor deze gecombineerde doorvoeringen wordt momenteel ontwikkeld.

Welke stappen moet ik volgen indien er te weinig plaats is voor een correcte installatie?

Wanneer er te weinig plaats is voor een correcte plaatsing, is meestal een plaatsing op afstand toegestaan (indien getest).

 Let wel, een brandklep moet apart worden getest in een wand en in een vloer. 

De geteste oplossing moet als volgt worden geplaatst:

  • Isoleer het gedeelte van het kanaal tussen de brandscheiding en het klepblad, conform de installatie-instructies en classificaties.
  • Bevestig de isolatie of beplating conform de montagevoorschriften van de leverancier.
  • De maximale afstand wordt aangeduid op basis van het toepassingsgebied van het testrapport en is terug te vinden in de installatie-instructies.

 

 Voor de oplossingen van Rf-t is dit steeds onbeperkt.

Moet ik een vlinderklep met schroeven in het kanaal vastmaken?

Vlinderkleppen worden door middel van een rubber dichtingsring op hun positie gehouden. De dichtingsring voorkomt lekkage van koude en warme rook tussen het kanaal en de vlinderklep. Er is geen bijkomende (schroef)bevestiging nodig.

 Indien de vlinderkleppen met een bijkomende schroef worden vastgezet, riskeert men beschadiging of niet volledig sluiten van het klepblad.

 Bovendien zit de klep dan vast in het kanaal in de wand. Als ze dan om één of andere reden moet worden vervangen, kan dat niet zonder uitbreken. Wat een dure en tijdrovende operatie is.

Afdichting van de sparing

Mag ik het geteste afdichtingsmateriaal vervangen door een ‘gelijkwaardig’ materiaal?

NEE: De afdichting moet altijd voldoen aan de voorwaarden in de montagehandleiding.

Er bestaat geen algemene uitbreidingsregel voor gebruik van een ander of gelijksoortig materiaal, met één uitzondering: een standaard materiaal (bijv. mortel of gips) mag vervangen worden door een brandwerende versie ervan.

Mag ik de dikte en de grootte van de afdichting aanpassen?

De afdichting rondom de klep moet ten alle tijde over de volledige dikte van de wand kunnen worden uitgevoerd, tenzij anders getest en geclassificeerd.

De afdichting verdikken mag, een dunnere afdichting mag niet. Het toepassen van dikkere gecoate steenwolplaten van hetzelfde merk en type is bijvoorbeeld toegestaan.

Mag ik de afdichting die getest werd voor een specifiek wandtype toepassen voor een ander wandtype?

De nieuwe versie van de EN 1366-2:2015 testnorm laat toe om een afdichting die werd getest in een lichte (metal stud) wand toe te passen in een massieve wand met een gelijkwaardige brandweerstand en dikte.

Voorwaarde is dus:

  • Dat de brandweerstand en dikte van de wand gelijk of hoger zijn dan die van de geteste lichte wand en
  • Dat afdichtingsmaterialen en –methode dezelfde blijven.

 Zo kan bijv. een CR60-brandklep in een massieve wand worden afgedicht door middel van steenwol 40 kg/m³ en gipskartonplaatjes.

Mag ik de afdichting die getest werd in een metal stud wand standaard toepassen in een asymmetrische metal stud wand (gipskartonplaten aan één kant)?

 NEE: Door de andere opbouw van de wand zal deze zich anders gedragen in geval van brand. Dit kan invloed hebben op de stabiliteit van bijvoorbeeld de afdichting rondom de klep. De installatie van de brandklep moet daarom specifiek worden afgestemd op een asymmetrische wand en zodanig worden getest en geclassificeerd.

 De CR60-1s opbouwklep werd getest en geclassificeerd in een asymmetrische lichte wand.

Mag ik de brandklep asymmetrisch plaatsen in een sparing afgedicht met gecoate steenwolplaten?

Enkel indien zo getest.

De brandklep moet niet centraal in de opening geplaatst worden (de maximale afstand tussen brandklep en rand is 400 mm).

Mag ik PUR schuim toepassen om een brandklep af te dichten?

 NEE: Dit mag nooit! Het gebruik van brandwerende schuimen is verleidelijk vanwege van het grote gebruiksgemak. Ze zijn echter niet geschikt voor het afdichten van brandkleppen.

Brandkleppen die met (brandwerende) PUR schuim zijn afgedicht falen in brandtesten. Deze materialen branden meestal (veel) te snel door waardoor het E-criterium niet wordt gehaald en er branddoorslag optreedt tussen de klep en de wand.

Mag ik een brandklep en andere doorvoeringen in dezelfde afdichting plaatsen?

Wanneer de wand door verschillende leidingen wordt doorkruist (kabels, PVC, HVAC…), dan moet er minstens 200 mm afstand zijn tussen de afdichting van de brandklep en de andere technieken, tenzij anders getest (een specifieke testnorm is in voorbereiding).

Mag een ander merk of een ander soort afdichting gebruikt worden? Mag ik bijvoorbeeld voor een plaatsing buiten de wand flexibele isolatie toepassen rond het kanaal in plaats van harde brandwerende steenwolplaten?

 NEE: Dit mag nooit! Uit brandtesten blijkt namelijk dat gelijksoortige materialen de brandwerende eigenschappen van de afdichting negatief kunnen beïnvloeden. De reden hiervoor is, dat er verschillen zijn in de materiaalsamenstelling (toeslagstoffen en verhoudingen in de mix).

Bij generiek afdichtingsmateriaal zoals mortel, gips en flexibele steenwolisolatie mogen wel andere merken toegepast worden.

Wanneer is het interessant om een opbouwklep toe te passen in plaats van een inbouwklep?

De installatie van een opbouwklep is het voordeligst. De wat hogere aanschafprijs van de opbouwklep wordt ruimschoots gecompenseerd door de kortere installatietijd en het wegvallen van de kosten van het afdichten. Hierdoor kan dezelfde ploeg per dag meer kleppen plaatsen.

Plaatsing en afdichting gebeuren ook gelijktijdig waardoor afdichting door een andere partij of op een later tijdstip niet meer nodig is. Dit heeft de bijkomend voordelen dat er geen droogtijden meer zijn en dat eventueel opspieën bij rechthoekige kleppen vermeden wordt.

 In het geval van de CR60-1s in een gipskartonwand vereenvoudigt het gebruik van stukjes metal stud profiel het vastzetten van de installatie.

 De sparing bij de CR60-1s opbouwklep is een standaard nominale boorafmeting. Hierdoor kan gemakkelijker een juiste sparing worden aangebracht.

Moet ik de tunnel ondersteunen bij het aanbrengen van de afdichting?

Bij rechthoekige kleppen met een grote afmeting is door de vlakke vorm de bovenzijde minder goed bestand tegen belasting. Het gewicht van een afdichting met mortel of gips kan de tunnel blijvend vervormen. Hierdoor bestaat het risico dat het klepblad niet of onvoldoende kan sluiten. Het wordt daarom aangeraden om in dergelijke gevallen de tunnel extra te ondersteunen gedurende het drogen en uitharden van de afdichting.

Aansluiten van het kanaal

Hoe worden de klep en het kanaal aan elkaar verbonden?

De vier hoeken van de standaardkaders van rechthoekige kleppen zijn voorzien van sleufgaten voor bevestiging aan luchtkanalen door middel van bouten. De kaders zijn ook voorbereid voor het gebruik van schuiflatten of klemmen.

Ronde kleppen zijn voorzien van een rubber dichtingsring en een geïntegreerde stop; het kanaal wordt over de klepkoker geschoven. De dichtingsring zorgt voor het behoud van de luchtdichtheid van de aansluiting. Bij CR60 en CR120 brandkleppen is deze aansluiting eveneens standaard klasse C. Het vastzetten van de klep aan het kanaal met schroeven is voor ronde kleppen niet nodig en zelfs afgeraden. Indien er toch voor schroeven wordt gekozen moet men opletten dat het sluiten van het klepblad niet wordt belemmerd.

Wanneer is een flexibele aansluiting aanbevolen?

Een flexibele aansluiting kan nuttig zijn bij installatie van brandkleppen in flexibele (metal stud) wanden en bij afdichting met harde steenwolplaten: in geval van brand kan een metal stud wand mogelijk sterk vervormen. Een rigide aansluiting tussen de brandklep en een kanaal zou invloed kunnen hebben op de correcte afdichting van de brandklep.

Voor een klep, die met mortel is afdicht, in een betonnen wand, is een flexibele aansluiting veel minder zinvol omdat het risico dat deze wand vervormt minimaal is.

Brandklepfabrikanten zijn vrij om hun producten met flexibele aansluitingen te testen.

 Indien een fabrikant hier tijdens de testen voor kiest, mag de geteste klep vervolgens nooit zonder deze flexibele aansluiting worden geplaatst. Anders is de installatie niet conform de classificaties en prestatieverklaring.

Indien een brandklep zonder flexibele aansluiting wordt getest, heeft het adviesbureau (of de installateur) de vrijheid om een flexibele aansluiting voor te schrijven (resp. toe te passen) voor specifieke situaties waar het gebruik van een flexibele aansluiting veiliger wordt geacht (namelijk metal stud wanden).

 Dit is het geval voor Rf-t brandkleppen. Deze worden meestal getest volgens een ‘worst case scenario’ (klep niet gesteund en geen flexibele aansluiting). Dit geeft de installatiebedrijven meer flexibiliteit bij het kiezen van hun oplossing.

Wat moet ik doen als de klep en het kanaal niet dezelfde afmetingen bezitten?

Pas eventueel verloopstukken toe.

Er bestaan verkleinstukken en ronde of ovale verloopstukken voor het aansluiten op een kanaal met andere afmetingen of een andere vorm.

Vierkante kleppen kunnen door middel van een speciaal aanpassingsstuk aangesloten worden op ronde kanalen.

Voor meer afwijkende situaties kunnen specifieke aansluitstukken worden gemaakt. Deze aansluitstukken hebben geen nadelige invloed op de classificatie van de brandkleppen.

 Voor opstellingen op afstand moet het kanaalgedeelte tussen de brandklep en de wand wel conform het classificatierapport worden uitgevoerd.

Mag ik andere kadertypes toepassen dan de flenzen die werden getest?

 Ja: andere kadertypes zijn mogelijk, de classificatie blijft dezelfde.

 Dit is echter niet van toepassing op opbouwkaders van opbouwkleppen die tegen een wand moeten worden bevestigd.

Ik wil in het kanaal vlak achter de klep een bocht plaatsen, waar moet ik op letten?

Er moet gelet worden op het uitsteken van het klepblad.

Voor rechthoekige en ronde kleppen kan een verlengde tunnel of verlengd kader worden besteld. Rf-Technologies heeft ook brandkleppen die op afstand kunnen worden geplaatst. Hierdoor kan een brandklep verder van een bocht worden geplaatst.

Aansluiten op de elektriciteitsvoorziening en/of op de brandcentrale

Wanneer moet ik een op afstand gestuurd mechanisme kiezen?

De keuze tussen een smeltloodgestuurde brandklep, een smeltloodgestuurde klep met contacten of een op afstand gestuurde klep zal mede gebaseerd zijn op volgende criteria:

  • Lokale regelgeving

Voor een aantal toepassingen is gebruik van op afstand gestuurde brandkleppen verplicht.

  • Grootte van het risico- en/of het geëiste veiligheidsniveau:

Het hoofddoel van op afstand gestuurde brandkleppen is het voorkomen van de mogelijke verspreiding van koude rook via de luchtkanalen.

In geval van brand vormt rook de grootste risicofactor voor gebruikers van het pand. De meeste brandgerelateerde dodelijke slachtoffers vallen te betreuren door de genadeloze gevolgen van rook en gasontwikkeling. Verspreiding van rook via luchtkanalen kan ook grote schade veroorzaken aan het pand, apparatuur, PC’s, printers, meubilair en/of opgeslagen goederen.

Hoe groot de noodzaak voor bescherming tegen de verspreiding van rook werkelijk is, wordt het best beoordeeld in functie van:

  • De omvang van het risico op ontstaan van een brand (soort en gebruik van pand en ruimte).
  • Het gewenste of vereiste veiligheidsniveau. Bij het bepalen van het veiligheidsniveau houdt men rekening met operationele risico’s zoals, bijvoorbeeld, wanneer men zich geen onderbreking van de aanwezige activiteiten kan veroorloven. Ook de mate waarin de evacuatie van de aanwezige personen bij brand tijdig kan gebeuren is een factor van overweging voor het bepalen van het veiligheidsniveau. Zo is bescherming tegen de verspreiding van rook van het grootste belang in situaties waar de gebruikers van het pand niet zelfredzaam of niet wakker zijn. Denk hierbij aan bepaalde afdelingen in ziekenhuizen, gebouwen voor ouderenzorg, gevangenissen en psychiatrische instellingen.
  • Optimalisatie gebouwbeheer:

Na oplevering is een brandklep in de meeste gevallen niet optimaal bereikbaar. Op afstand gestuurde mechanismen hebben het voordeel dat de brandklep toch altijd eenvoudig kan worden getest
Het gebruik van op afstand gestuurde brandkleppen op brandcompartimentsgrenzen kan ook de energie-efficiëntie van het aanwezige ventilatiesysteem optimaliseren. Zo kan ventilatie van niet-gebruikte delen van een gebouw worden afgesloten (bijv. een niet-verhuurde verdieping in een kantoorgebouw).

Ook tijdens de nacht kan men de ventilatie optimaal aansturen.

  • Bestekken:

Gebruik van op afstand gestuurde brandkleppen is op vraag van de opdrachtgever en/of van de verzekeringsmaatschappij voorgeschreven in het bestek.

Hoe kan ik een brandklep op afstand monitoren?

Er zijn 2 mogelijkheden om een brandklep op afstand te monitoren:

  • Uitlezen van contacten bij een smeltloodgestuurde klep:
    De stand van het klepblad wordt weergeven op een centraal of lokaal brandbeheerssysteem door middel van een bekabelde verbinding. De positie van het klepblad kan niet op afstand worden gewijzigd.
  • Uitlezen van contacten bij een op afstand gestuurde klep:
    Het is mogelijk om de brandkleppen rechtstreeks aan te sluiten op een centrale besturing, maar dit brengt hoge bekabelingskosten met zich mee, en de kans op storingen of fouten wordt aanzienlijk verhoogd.

Communicatie via een Modbus of BACnet-protocol reduceert de bekabelingskost en de complexiteit van de installatie.

  • Bij dergelijke bussystemen wordt de brandklep aangesloten op een veldmodule (bijv. IXI-R1 en IXI-R2) die de status van de brandklep uitleest en de servomotor van spanning voorziet.
  • De veldmodule communiceert met een controller (bijv. IXI-R120), die op zijn beurt gegevens binnenkrijgt van een brandmeldinstallatie.
  • Bij rookdetectie of indrukken van een brandalarmknop in een bepaalde zone zullen de desbetreffende brandkleppen sluiten en zullen de bijbehorende luchtgroepen worden afgesloten.

Wanneer moet ik een motor met een stekker bestellen?

De stekker maakt het mogelijk om de motor snel op de veldmodules (nabij de brandklep) aan te sluiten. De veldmodules IXI-R1 en R2 hebben een handige stekkeraansluiting waar de kabel van de servomotor eenvoudig kan worden ingeplugd.

Bij afstanden van meer dan een meter tussen de servomotor en de veldmodule is een stekkeraansluiting niet meer interessant.

Moeten de voedingskabels uit brandwerend materiaal bestaan?

 NEE: De brandklep gaat automatisch naar de veiligheidsstand (gesloten positie) als de spanning wordt onderbroken. Door deze veiligheidsfunctie is het niet noodzakelijk om de voedingskabels in brandwerend materiaal uit te voeren.

Het is echter wel aan te raden om een brandwerende kabel te gebruiken om zeker te zijn dat de brandwerende kleppen zullen dichtgaan bij een branddetectiesignaal.

Mag ik brandkleppen doorlussen bij aansluiten op een centrale besturing?

Het wordt niet aangeraden om brandkleppen door te lussen.

Indien één van de brandkleppen niet gesloten is, dan is het niet mogelijk om te weten over welke brandklep het gaat.

Onderhoudskosten kunnen hierdoor hoog oplopen. Bij brand is het niet duidelijk of alle doorgeluste brandkleppen effectief volledig gesloten zijn.

Controleren en onderhouden van de klep tijdens de gebruiksfase

Hoe vaak moet de brandklep gecontroleerd worden?

Na de installatie moet de correcte werking van de brandklep (openen en sluiten van klepblad) direct worden gecontroleerd.

Controleer de klep vervolgens een half jaar na de ingebruikname. Plan daarna een halfjaarlijkse controle en reiniging (zie art. 8.3 van EN 15650:2010 productnorm voor brandkleppen.)

Leg de bevindingen vast in een logboek. Dit is niet verplicht, maar in de praktijk wel handig.

Waarop moet gelet worden na installatie van de brandklep?

Bij het installeren van de brandklep kunnen de afdichtingsmaterialen de brandklep bevuilen. Er mag geen vuil achterblijven aan de binnenkant van de klepkoker, zodat het klepblad vrij kan bewegen. Reinig daarom de klepkoker grondig aan de binnenkant.

De gebruikte afdichtingsmaterialen mogen ook de werking van het mechanisme niet in het gedrang brengen. Dit kan worden gecontroleerd door na de installatie de brandklep manueel te openen en te sluiten.

 Bij gebruik van een controlesysteem wordt de werking gecontroleerd door met behulp van het controlesysteem de brandklep te openen en te sluiten. Tegelijkertijd kan ook de correcte werking van de statusmelding van de begin- en eindeloopcontacten worden bevestigd.

Welke controles worden aangeraden voor een brandklep?

  • Controleer de netheid van de klep en reinig waar nodig.
  • Controleer de toestand van het klepblad en de afdichtingen en herstel indien nodig.
  • Controleer de correcte werking van het mechanisme door het klepblad manueel te sluiten en te openen.
  • Controleer of er beschadigingen zijn bij de eventuele bedrading van de voeding en de begin- en eindeloopcontacten.
  • Controleer de correcte werking van de begin- en de eindeloopschakelaars, indien van toepassing.
  • Bij gebruik van een controlesysteem, controleer het openen en het sluiten van het klepblad met behulp van het controlesysteem.
  • Controleer of de brandklep haar functie binnen het controlesysteem correct vervult (indien van toepassing).
  • Controleer of de brandklep na het onderhoud opnieuw in open toestand staat.

Kunnen er na de installatie nog wijzigingen aan het mechanisme van de brandklep worden aangebracht?

Rf-Technologies heeft een aantal kits ter beschikking om na installatie nog wijzigingen aan het bedieningsmechanisme aan te brengen. Gebruik enkel deze officiële kits en monteer ze volgens de installatievoorschriften, om zeker te zijn dat de classificatie van de brandklep ongewijzigd blijft.

Het antwoord op uw vraag niet gevonden?

Contacteer ons